September 1903
Laat ik mezelf tenminste nu bedriegen met illusies,
opdat ik niet de leegte van mijn leven merk.
Zovele keren ben ik zo nabij geweest.
En hoe verlamd, hoe schuchter, was ik,
waarom hield ik mijn lippen op elkaar
terwijl mijn lege leven in mij weende
en mijn begeerte zwarte kleren droeg.
Zovele keren zo dicht bij te zijn geweest,
bij de ogen, bij de zinnelijke lippen,
bij het gedroomde, geliefde lichaam.
Zovele keren zo dicht bij te zijn geweest.
K. P. Kavafis, Gedichten. In de vertaling van Hans Warren en Mario Molegraaf (Amsterdam: Bert Bakker, 2002).



In zijn dagboek beschrijft Hans hoe de storm een hoogtepunt bereikte.De woeste zee was indrukwekkend: donkergrauw, dreigend, angstaanjagend sterk. Ik wilde me er mee verenigen, mijn kracht meestuwen tegen de nietig lijkende dijken om de waanwijze mensen te laten zien hoe klein en machteloos ze zijn met al hun moderne middelen.’s Morgens horen Hans en zijn vader op de radio van de ramp. Als de sirene en noodklok beginnen te luiden, twijfelen beiden geen moment: helpen! Hans pakt een schop en meldt zich als een van de eersten om dijken te verstevigen. Vrijwel meteen beseft hij een fout te hebben gemaakt. Het modderige handwerk blijkt veel te zwaar voor hem. Spitten en sjouwen kan hij niet, organiseren des te beter. Ik stond met al mijn goede bedoelingen van begin af aan de verkeerde kant, constateert hij gelaten. De volgende dag neemt hij per fiets de schade op in de omgeving. ’s Avonds dient zich een nieuwe noodsituatie aan. Zijn vader, grieperig, vertrekt direct maar zegt tegen Hans dat deze beter thuis kan blijven. Hij is toch ongeschikt voor dit werk. Hans is daar niet rouwig om, al blijft hij een gevoel van wroeging houden. Dit zijn historische dagen voor zijn streek. En wat doet hij? In plaats van mensen te redden zit hij voor de kachel en leest in Pompes funèbres. Gelukkig is Hans’ vader deze dagen een held voor twee. De waterbouwkundige, op een zijspoor geraakt door zijn pro-Duitse houding tijdens de bezetting, dwingt met daadkrachtig optreden respect af. Wat moet het een bittere triomf voor hem geweest zijn, noteert Hans op 2 februari 1953. Ik heb hem bewonderd, ik was trots op hem, voor het eerst van mijn leven. Dat dit dezelfde man was die zo kleinzielig kon doen.