Volkenkundig Museum Gerardus van der Leeuw

Op zijn zwerftocht door Nederland fotografeert Martin van der Kamp landschappen en gebouwen die verbonden kunnen worden met het leven en werk van Hans Warren. Deze keer het voormalige volkenkundig museum Gerardus van der Leeuw aan de Nieuwe Kijk in ’t Jatstraat 104 te Groningen.

14 juli {1995] – 14.50 – [over 13 juli] (…) Om even na tweeën kwamen we aan in het Museum Gerardus van der Leeuw voor de tentoonstelling Goudglans en schaduwen, het hoogtepunt van de dag. Na vieren had het geen zin meer nog naar het nieuwe Groninger Museum te gaan. (…)

5 aug. [1998, noterend over 4 aug.] – 16 u. – (…) Vervolgens reden we naar Groningen, een veel aangenamer stad dan Leeuwarden. Hier bezochten we het volkenkundig museum Gerardus van der Leeuw, vooral vanwege de tentoonstelling over Theo van Baaren. Er waren reeksen van zijn collages, veelal met heel felle ogen erin geplakt. Grappig, gek, vervreemdend, maar wat van dat geknutsel te zeggen? Leuk spelletje, maar ietwat kinderachtig om op je oude dag mee door te gaan. Dan zijn ethnografica, die loopt van troep tot de prachtigste dingen. In het begin van de jaren veertig is hij begonnen met het aanleggen van de collectie. Heel wat stukken kocht hij bij Leendert van Lier, met wie hij bevriend was. Uiteindelijk telde de verzameling ruim tweeduizend voorwerpen, uit allerlei gebieden zodat een soort encyclopedie van de volkskunde is ontstaan. (…)

Uit de nalatenschap van Hans Warren 62 – Mensje van Keulen

De titel is pover, de rest is geweldig. Zojuist verscheen Neerslag van een huwelijk, het dagboek dat Mensje van Keulen tussen 1977 en 1979 bijhield. Hans Warren speelt er een belangrijke rol in. Ze past op zijn woning wanneer hij op reis gaat: ‘Van werken zal niet veel komen in dit heerlijke huisje met al die vogels rondom, de chocoladebruine duiven die in een vertrek naast de zitkamer huizen.’ Ze wil óók zo’n huisje en vindt dat in het naburige Driewegen, op de hoek van de Baandijk en de Paulushoekseweg. De overeenkomsten tussen het huisje van Hans Warren en het hare (zie de uit het boek overgenomen foto) zijn frappant. Het werd geen gelukkige periode voor haar. Dat lag niet aan Driewegen maar aan Lon, haar trouweloze echtgenoot. Waarom is het zo’n indrukwekkend dagboek? Vanwege de eerlijkheid over haar instortende huwelijk en over een abortus die ze ondergaat. Maar zeker ook vanwege het einde met paukenslag. Ze wordt opnieuw zwanger, krijgt een zoon en besluit haar dagboek jubelend: ‘Ik kan mijn ogen amper van hem afhouden.’ Ze reist in deze jaren veel van Amsterdam naar Zeeland: ‘op weg naar Hans’ noemt ze het. Ergens halverwege duik ook ik op: ‘Hij is veertig jaar jonger dan Hans, maar heeft iets ouds, alsof hij geen jeugd heeft gekend.’ Hoezeer ze ook met zichzelf bezig was, ze bekijkt mijn achttienjarige ik aandachtig en vooral ook kritisch. Desondanks of misschien wel daarom ben ik blij met dit boek: het lanceert me veertig jaar terug in de tijd, even keert het verloren verleden weer. Toen ik het uit had, zei ik zachtjes: dank je wel, lieve Mensje.

Mario Molegraaf

 

Nisse

Op zijn zwerftocht door Nederland fotografeert Martin van der Kamp landschappen en gebouwen die verbonden kunnen worden met het leven en
werk van Hans Warren. Deze keer de NH-kerk te Nisse.

Midden in de oorlog vermeldt Warren tweemaal in zijn dagboek een bezoek aan het kerkgebouw te Nisse. De eerste keer om de koster te assisteren en de tweede keer met vriendin Sibylle. De “P” in het citaat staat voor “Prufung”, een markering van de Duitse klokkenvordering vanaf 1943. De klokken met een P zijn exemplaren die
nader onderzocht zouden gaan worden. Bij een grote cultuurhistorische waarde zouden deze exemplaren alsnog van vordering vrijgesteld worden.

 

8 maart 1943 – In Nisse met de koster op de kerktoren geweest ten
einde een grote P te schilderen op de klokken die helaas versmolten
moeten worden voor de oorlogsindustrie. Of die (valse) P nog helpen
zal betwijfel ik, het is te hopen. Het zijn mooie oude klokken, een
grote en een kleine. Het uitzicht boven van de tinnen was prachtig,
het panorama van de Poel in het helle maartlicht. (…)

31 augustus 1943 – Jl. zaterdag zijn Sibylle en ik inderdaad een hele
dag op stap gegaan, maar ik heb niets gevraagd. Ik schuif het maar op
het koude weer. ’s Morgens ging het nog. We bezichtigden de kerk van
Nisse, Sibylle klom op de preekstoel en gaf een geslaagde imitatie van
een dominee, ze was aanbiddelijk met de roodblonde stralenkrans van
haren onder het donkere glanzende klankbord. Heel hoog in het gewelf
is een ‘kroning van Maria’ geschilderd, een klein, rond, primitief
werk dat ze door de verrekijker bestudeerde terwijl ik de stoel waar
ze op zat achterover balanceerde. We klommen op het orgel, ik
probeerde het even, en bestegen de smalle wenteltrap van de hoge
toren. Het woei boven erg hard. (…)

Uit de nalatenschap van Hans Warren 61 – Lucebert

Ik riep nog net geen hoera toen ik de krant van de mat raapte. Mijn glas bourgogne smaakte die avond nog net iets lekkerder dan andere avonden. Noem het leedvermaak. De fascinerende biografie door Wim Hazeu over Lucebert. Hét nieuws van dat boek: de heftige nazisympathieën van de dichter, onderscheiden met de P.C. Hooftprijs en de Prijs der Nederlandse Letteren. Waarom dit ineens nieuws is en Wim Hazeu verbazing acteert, begrijp ik niet helemaal. Er gingen geruchten over, ik heb er met Wim Hazeu over gepraat en gemaild. Alleen kon ik hem het rokende geweer niet aanwijzen. Maar nu zijn de verpletterende bewijzen er dan. Brieven vol met dit soort uitspraken: ‘Sieg Heil und Heil Hitler!’ Hans Warren noteerde op 13 februari 1983 in zijn dagboek: ‘Gerrit (Komrij) heeft me op mijn aandringen eindelijk iets verteld over de smerige uitlatingen van Lucebert over mij in de Haagse Post: dat ik een soort hoerenjongen van de moffen was geweest. Zoiets kun je verwachten van iemand die zelf allesbehalve een smetteloos verleden heeft.’ Let op die tweede zin: wat nu groot nieuws is, wist Hans Warren vijfendertig jaar geleden al. Wat de eerste zin betreft: wéér ontbreekt het rokende geweer, ik kan de bron niet traceren, mogelijk heeft zegsman Gerrit Komrij dingen door elkaar gehaald. Even was alles mooi geweest tussen de twee dichters. In 1954 ontwierp Lucebert het omslag van Hans Warrens Leeuw lente, misschien het veelzeggendste commentaar op de bundel. Hans Warren jubelde in hetzelfde jaar: ‘Lucebert is in onze taal een grote vernieuwer; zijn poëzie neemt een vlucht op internationaal plan, schiet als een vrije reuzenboom omhoog in ’t meestal zo prutserige Nederlandse dichthofje. Zijn lover ruist van nieuwe, grootse, soms verschrikkende geheimen.’ Verschrikkende geheimen, inderdaad: Wim Hazeu verheldert de ware aard daarvan. Lees deze biografie. En lees daarna nog eens de poëzie van Lucebert. Met de nieuwe kennis, zo was mijn onthutsende ervaring, komt heel dit oeuvre als één grote vervalsing over. Al Luceberts gedichten wijken voor zijn woorden van destijds: ‘Eens wanneer alle Germaansche stammen verenigd zijn zal de Jood geen gelegenheid meer hebben bloed tegen gelijk bloed op te zetten.’ Als ik erover nadenk, smaakt ineens zelfs de beste bourgogne bitter. Het zou van goed fatsoen getuigen als die prestigieuze prijzen alsnog worden ingetrokken.

Mario Molegraaf