Auteursarchief: Ronny en Eric

Uit de nalatenschap van Hans Warren 134 ~ Natuurdagboek

Voor hij met zijn ‘geheim dagboek’ startte, hield Hans Warren al een natuurdagboek bij. Hij was niet de enige, het bijhouden van zo’n journaal was een tijdlang mode, op gang gebracht door Jac. P. Thijsse, volgens Marga Coesèl in haar pas verschenen Zorgeloos genieten. Natuurdagboeken en hun schrijvers (Noordboek, €19,90). Uiteraard is er ook aandacht voor Hans Warrens natuurdagboek, deels gepubliceerd in Ik ging naar de Noordnol (1996). Maar er is méér: de veertien cahiers die op de foto zijn te zien plus enig voorwerk. Op 14 januari 1938 is hij begonnen in cahier nummer één met de beschrijving van een experiment met een voertafeltje: ‘Ik had nu echter expres de vogels sinds gisteren geen eten gegeven en nu rijkelijk gevoederd om de stand van zaken eens te zien’. Een volgende keer, op 26 juni 1938, volgt een verhaal over zijn volière. Ik ging naar de Noordnol eindigde voorjaar 1942, maar het natuurdagboek ging door. Het veertiende en laatste cahier begon hij op 5 april 1943. De vaart raakt er geleidelijk uit. Op 14 januari 1945 zegt hij: ‘Vroeger was dit dagboek, al schreef ik er ook vrijwel alleen mijn natuurhistorische belevingen in op, mij een dierbaar bezit, en jaren heb ik trouw, dag aan dag, zelfs als er niets te melden viel, er iets in genoteerd. Het vorige jaar is dat veranderd.’ Misschien is hij ‘te veel kunstenaar’ geworden, oppert hij, en gaan neerzien op dit ‘geveugel’. Hij belooft beterschap, wil ‘deze goede traditie’ voortzetten. Dat lukt af en toe, bijvoorbeeld in mei 1948 wanneer hij om vijf uur opstaat voor een grote tocht over de Kaloot. De allerlaatste aantekening, van 19 mei 1951, gaat eveneens over de Kaloot, het belangrijke natuurgebied bij Borssele. Met de woorden ‘Ook een regenwulp gehoord’ eindigt het natuurdagboek, het ándere dagboek van Hans Warren, vaak even indringend en overtuigend als het persoonlijke dagboek waarmee hij zoveel faam verwierf.

MARIO MOLEGRAAF

Onthulling

Mario Molegraaf reageert op zijn onthulling, in een interview met Daniela Hooghiemstra (en binnenkort in de biografie), dat een groot aantal van de artikelen die onder de naam Hans Warren in de krant verschenen, feitelijk door hem zelf geschreven werden. Mét beeld van de zakagenda’s waarin Warren de verdeling bijhield.

“Ik wilde de onthulling doen in een hoekje van hoofdstuk 19 van Opperhuidmens, mijn biografie van Hans Warren. Het boek is er nog niet, maar het nieuwtje is uitgelekt, ‘voorpaginanieuws’. Een van de koppen luidt: ‘Beroemde PZC-recensent Hans Warren schreef talloze stukken niet zelf’. We lezen over ‘lezersbedrog’ (daar zit wat in) en over ‘volstrekte fake’ (tja). Al een half jaar na onze kennismaking ben ik voor de krant artikelen onder Hans Warrens naam gaan schrijven. Op zondag 11 februari 1979 maakt hij in zijn zakagenda (zie de afbeelding) melding van mijn eerste stukje. Er volgen meer en meer artikelen, zoals zijn dagboeken en bijvoorbeeld de administratie in zijn zakagenda’s (op de afbeelding een blik in de zakagenda van 1990) uitwijzen. Hans Warren had het moeilijk met ons geheim. Hij schreef in zijn dagboek (dat hij en ik in de gedrukte versie op dit punt noodgedwongen moesten aanpassen) natuurlijk regelmatig over de kwestie. ‘M’n reputatie zal een rare knauw krijgen,’ voorzag hij. Het vond het ‘fout’ en ‘het frustreert ons allebei’. Alleen was er geen weg terug, vond hij, vonden wij. Maar ik wil dé Hans Warren-biografie leveren, afdoend en definitief. Een eventuele volgende biograaf mag een andere visie hebben, te onthullen valt er niets meer. Het voelt voor mij als stukmaken om deze kwestie te openbaren, maar de biograaf, juist deze biograaf, mag niet loyaal aan de leugen zijn. Het volledige verhaal dus in Opperhuidmens, heel openhartig maar strategisch verstopt in hoofdstuk 19. “

Uit de nalatenschap van Hans Warren 133 ~ Insluipers

Insluipers? Begin 1958 komen Hans Warren, zijn echtgenote en zijn kinderen thuis. Tot hun verrassing blijkt ‘een groot schilderij in de woonkamer’ te zijn opgehangen. De dagboekschrijver verwijst naar een briefje dat alles verklaart. Een briefje dat nog altijd bestaat, ondertekend door de complete familie Duvekot. Adrie Duvekot was waterbouwkundig ambtenaar van beroep, maar van roeping kunstenaar. Zeker geen slechte kunstenaar, kijk maar naar zijn zelfportret op jeugdige leeftijd. Het andere werk is een coproductie van hem en Hans Warren, hun vriendschap beleefde destijds, eind 1942, de grootste bloei. Het binnengesmokkelde schilderij bevalt niet, blijkt uit de aantekening in Geheim dagboek van 4 januari 1958. In dezelfde tijd, zie de aantekening van 11 januari 1958, wordt de Stichting Zeeuwse Beeldende Kunstenaars opgericht. Een van deze kunstenaars is Adrie Duvekot, Hans Warren werkt mee als lid van een onafhankelijke ballotagecommissie. We zien hem in die rol in de dagboeknotitie van 11 februari 1958, ‘in de zijspan van een gammele motorfiets’. In het Zeeuws Tijdschrift blijft hij de Zeeuwse kunstenaars volgen, gewoonlijk met tegenzin. Hij oordeelt vernietigend over hun kerstsalon in 1968. Hij blikt even terug op zijn werk voor de ballotagecommissie: ‘Gelukkig werden we spoedig op een onelegante manier van die taak ontheven’. De Kunstkring moet volgens hem ‘worden gesaneerd, en wel heel drastisch’. Op een vorige kerstsalon was een werk van Adrie Duvekot hem goed bevallen, bij het artikel plaatst hij een afbeelding van dit ‘Maanlandschap’, aangekocht door zijn vrouw Helen Warren-Ferguson. Over de nieuwe werken vallen in de beschouwing in het Zeeuws Tijdschrift harde woorden: ‘Want als het mis is bij Duvekot, dan is het tegelijk heel flink’. Maar de vriendschap bleef, met pieken en dalen, een vriendschap vanaf de lagere school tot en met begrafenis.  MARIO MOLEGRAAF  

Uit de nalatenschap van Hans Warren 132 ~ Tjakkie

Het is misschien mijn favoriete Hans Warren-foto. De foto met de ekster op zijn hand. Even komt-ie Geheim dagboek binnengevlogen: Tjakkie, ‘een tamme ekster die ik heb opgekweekt en die me overal achterna vliegt’. In het oorspronkelijke dagboek is er nauwelijks meer aandacht voor Tjakkie, al tobt de schrijver op 4 juli 1948: ‘Thans is het weer al half twee, mijn ekster is weggevlogen in de hoge appelboom van de buren. Daar ben ik triestig om, want ik houd erg veel van dat veren beestje’. Voor en na half twee heeft hij in de uitgebreide aantekening andere zorgen. Jongens natuurlijk, kleine angsten (te veel eten en snoepen, ‘het begint al met het ontbijt, als er aardbeien zijn of yoghurt’) en grote vrees (‘het schijnt dat mijn verdere leven in een oppervlakkig zoeken en wachten zal moeten verlopen’). Hoe het begon met Tjakkie en Hans Warren? Daarvoor moeten we uitwijken naar het natuurdagboek, naar de aantekeningen van 22 en 24 juni 1948. Hij fietst naar Coudorpe ‘om een jonge Ekster op te halen’. Uit het nest kiest hij het ‘grootste en mooiste’ exemplaar. De vorderingen van de vogel, onder meer wat betreft eten en poepen, worden nauwgezet gevolgd: ‘Soms geeft hij zelfs heel vertrouwelijk een kopje’. Hans Warren meldt in zijn natuurdagboek ‘al jaren zin in zo’n beestje’ te hebben gehad. Zijn ‘dierbare vriendje’ wordt na korte tijd doodgeschoten, de verdachte is een ‘postduivenliefhebber’. Maar op de foto zie je voor eeuwig de liefde tussen mens en dier.

MARIO MOLEGRAAF

Uit de nalatenschap van Hans Warren 131 ~ Klantvriendelijk

Het is een nogal gehavend exemplaar van Hans Warrens Verzamelde gedichten 1941-1971. De uitgave met op het omslag een afbeelding van sierduiven en een foto van de dichter voor de Perzische berenklauw in zijn tuin (is hij schuldig aan de opmars van deze plant, tegenwoordig gevreesd als invasieve exoot?). Er ontbreken twee bladzijden, bladzijde 13 en 14, er door een niet al te fijnbesnaarde poëzieliefhebber uitgescheurd. Een boek dat nauwelijks waarde lijkt te hebben, maar toch. Boudewijn Koole, de in 1947 te Sint Laurens op Walcheren geboren filosoof en theoloog, schafte op een gegeven moment de bundel aan. Hij miste de gedichten op pagina 13 en 14, ‘De brief’ en ‘Voorbij’, en richtte zich tot de dichter. Hans Warren, niet altijd stipt met het beantwoorden van post, reageerde zeer klantvriendelijk, zij het met het commentaar: ‘Je begrijpt overigens wel dat ik dat echt ook niet voor iedereen doe.’ Hij stuurt geen fotokopietje van de ontbrekende gedichten, maar schrijft ze over, in het netste handschrift waartoe hij in staat was. Zo wordt de bundel alsnog uniek en lees je ook de gedichten met andere ogen. Gedichten met regels die naar andere tijden verwijzen (‘heb ik aan de meid gezegd’), maar eeuwige waarde hebben. Een geschenk uit de tijdmachine, het epistel uit 1978 kwam in mijn bezit. Ik deed min of meer hetzelfde als wat hij beschreef: ‘Bijna bevreesd voor het zeegeruis/ kus ik de letters van je brief.’

MARIO MOLEGRAAF