Categoriearchief: Uit de nalatenschap

Momenteel werkt Mario Molegraaf aan de biografie van Hans Warren. Op zijn ontdekkingstocht door het leven van Warren stuit hij regelmatig op interessante vondsten. Op de eerste dag van elke maand deelt hij zo’n vondst met de bezoekers van onze website.

Uit de nalatenschap van Hans Warren 148 ~ Hans Warren in Amerika

Het had de reis van zijn leven moeten worden, maar het werd een flop. Het was een cadeau van uitgever Bert Bakker voor Hans Warrens zeventigste verjaardag, deze reis naar Amerika, naar New York en Washington. We vertrokken op 1 oktober 1991 en op 11 oktober keerden we terug. Het verslag is, in bekorte vorm, afgedrukt in Geheim dagboek 1990-1992. Maar hoe pakte Hans Warren zo’n schrijfonderneming buitenshuis aan? In dit geval reserveerde hij er een zwart notitieboekje voor, waarin hij bijna 120 bladzijden schreef. Hij beschouwde het mobiele dagboekje als een onderdeel van zijn grote thuisdagboek. In cahier 44 daarvan tekende hij tussen de afscheidsnotitie van 1 oktober (‘M. lijkt me helaas erg nerveus, hij vergeet allerlei dingen die hij anders nooit vergeet, koffie malen, douchekachel aanlaten’) en de terugkeeraantekening van 11 oktober aan: ‘hiertussen: reisdagboekje 1 t/m 10 okt.’ Mij beviel het wel in Amerika, hem allerminst, een van de redenen voor heftige ruzies. Tijdens de vliegreis naar New York begint hij al afkeurend te schrijven. De eerste Amerikaanse notitie is van 2 oktober 7 uur lokale tijd. Hij biedt vooral een museumjournaal – bijna onvoorstelbaar hoeveel museums er worden bezocht. Zo staat hij in The Frick Collection eindelijk oog in oog met De Poolse ruiter, al dan niet van Rembrandt. Maar hij schrijft ook, met weinig sympathie, over het Amerikaanse leven en de taal: ‘Gelukkig (of helaas) versta ik het Am. totaal niet. M. wèl omdat hij altijd van die Am. series op t.v. bekijkt, maar ik lig er volkomen uit. Ook zijn alle woorden anders. The check. Restroom. Gratification etc. etc.’ Hij is pas weer op zijn gemak als hij vertrouwde dingen vanuit het vliegtuigraampje ziet: ‘De kustlijn van Nederland, waarschijnlijk Katwijk aan Zee, plassen, kassen, akkers.’

MARIO MOLEGRAAF

Uit de nalatenschap van Hans Warren 147 ~ Joost Zwagerman

Op 11 november 1994 sprak Joost Zwagerman in zijn radioprogramma Ophef en vertier met Hans Warren. Het gesprek ging ‘matig’, meldt deze in zijn dagboek, ‘zijn vragen waren niet pittig en mijn antwoorden niet briljant’. Joost Zwagerman vond de uitzending daarentegen, zo schrijft hij in een brief van 24 februari 1995, ‘éen van de aardigsten die we hebben gemaakt’. De ontmoeting komt niet voor in de spraakmakende biografie Zwaag. De zeven levens van Joost Zwagerman. Hans Warren wordt in dat boek een paar maal terloops vermeld, zoals Joost Zwagerman enkele keren zijdelings opduikt in mijn Opperhuidmens. De biografie van Hans Warren. Misschien niet helemaal terecht gezien de beschouwingen die Zwagerman aan Warren wijdde: in 1993 het voorwoord van Geheim dagboek 1939-1940 en in 1996 een stuk ‘Bidden zonder god’ in het vriendenalbum Hans Warren 75. De geringe aandacht is wél gerechtvaardigd wanneer je kijkt naar wat er tevoorschijn komt uit de Zwagerman-envelop in de Hans Warren-collectie. Welgeteld twee geboortekaartjes, twee brieven en een plichtmatige condoleance. De belangrijkste ontmoeting van de twee auteurs was die vanwege het radio-interview. Ook in zijn brief van 2 augustus 1996 blikt Joost Zwagerman erop terug: er waren ‘gasten op wier komst ik mij al weken tevoren had verheugd – onder wie Mario en jij’. In de brief gaat het verder over zijn bijdrage aan het ‘feestboek’, Hans Warren 75. In het artikel zegt Zwagerman over Ophef en vertier: ‘Het was ambachtelijk gezien […] misschien niet mijn beste radio-interview dat ik maakte, want de gretige lezer zat de nuchtere interviewer enigszins in de weg’. Juist, Joost. Gelukkig spreekt in Zwagermans stukken over Warren die gretige lezer.

MARIO MOLEGRAAF

Uit de nalatenschap van Hans Warren 146 ~ Willem Oltmans

In 1985 staat er nóg een dagboekschrijver op: Willem Oltmans. Hans Warren vindt het boek, het eerste uit een lange reeks, een bespreking waard. ‘Ik zal me gematigd opstellen. Ondanks alles heb ik een zekere sympathie voor deze geestverwant,’ noteert hij op 14 juli 1985 in Geheim dagboek. Op 23 juli 1985, drie dagen nadat de recensie in de krant stond, stuurt Willem Oltmans een opgetogen brief aan Hans Warren: ‘was er zéér blij mee’. Aan het eind van de twee kantjes laat hij weten: ‘Ben tot 10 Aug bij Bouterse’. Een opmerking die veel zegt over Oltmans, precies honderd jaar geleden geboren. Hij ging om met allerlei twijfelachtige figuren uit de wereldpolitiek, en was daarop nog trots ook. Gehoor vond hij nauwelijks voor zijn verhalen, maar hij bleef zichzelf hardnekkig als een top-journalist aanmerken die gefnuikt werd door de boosaardige Nederlandse overheid. Na een lange rechtszaak haalde hij nog zijn gelijk ook. In 2000, vier jaar voor zijn dood, kreeg hij een schadevergoeding van acht miljoen gulden. Oltmans werd nog officiëler toen hij zijn archief, honderd meter lang, naliet aan de Koninklijke Bibliotheek. Na een Amsterdamse ontmoeting in 1987, een dubbelinterview, noteerde Hans Warren over Oltmans: ‘Hij is gek, dom en arrogant, hij schreeuwt verschrikkelijk, maar ik heb geen hekel aan hem gekregen’. Er is ook een verslag van de andere kant, Oltmans schrijft op 31 mei 1987 dat het gesprek ‘in een redelijke sfeer’ verliep ‘tot het moment dat Hans zei dat hij zijn jonge vriendje Mario even ging halen. Daarna veranderde de sfeer. Warren wilde macho overkomen bij zijn vriendje’. Hans Warren bleef recensies over Oltmans schrijven, hij bleef geïntrigeerd maar raakte ook steeds meer geïrriteerd. Tot woede van Oltmans, uiteraard uitgesproken in epistels op papier van verre hotels en voorzien van exotische postzegels.

MARIO MOLEGRAAF

Uit de nalatenschap van Hans Warren 146 ~ Schrijfbloc

Zomaar een doos uit de rijen, rijen, rijen in de Zeeuwse Bibliotheek. Manuscripten doos 18 en daaruit envelop nummer 7. Er komt een ‘Schrijfbloc’ tevoorschijn en meteen ben ik middenin het bestaan van Hans Warren. Nou ja, niet precies middenin, het gaat om notities uit 1949, 1950. ‘Ik word ouder,’ schrijft hij op een van de vellen, hij loopt tegen de dertig en heeft zijn weg in het leven nog niet gevonden. Hij moet kiezen tussen Nous van Westen en Helen Ferguson, en beweert in zijn schrijfbloc, alleen in zijn schrijfbloc: ‘Ik heb gekozen Nous, of liever: besloten. Want ik sta niet voor de keus: jou of Helen. Zij wordt mijn vrouw, en jij blijft mijn vriendje als voorheen.’ Zo is het er uiteindelijk komen te staan, maar doorstrepingen en aanvullingen maken duidelijk dat de schrijver nauwelijks raad wist met Nous’ positie. Hij vervolgt op 16 september 1949 – hij kent Helen amper een maand: ‘Nous is droom, Helen realiteit. De pijn moet uit mijn ogen, ik wil het zwart op wit zien: ik heb Nous meer lief hoewel hij minder waard is, maar ik kies, op het ogenblik althans, zonder enig voorbehoud Helen.’ Zonder enig voorbehoud? Nous ‘en zijn voorgangers’ zorgden voor ‘bijna uitzinnige, extatische en wanhopige gevoelens’. Helen, zo stelt hij vast, heeft hij ‘niet hartstochtelijk, wel innig lief’. Hij heeft ‘haar lief zoals men zichzelf liefheeft: rustig, wetend dat zij er zal zijn, geestelijk of lichamelijk wanneer ik haar nodig heb’. Maar van een rustige relatie komt weinig terecht, zij zegt nee in een brief waarnaar hij verwijst in de, in de schrijfbloc bewaarde, opzet voor een eigen epistel, waaraan hij begon op een zaterdagavond. ‘I am sorry that I have to go back to our – I must say your – rupture of December ’49. That unfortunate letter you sent me by then, has spoilt more than I’ll ever be able to tell you’. Toch zegt hij naar haar te verlangen. Was zij maar bij hem, om mee te kijken naar de glorieuze avondval over water en velden. ‘Owls cry and the riping and flowering corn-fields bring a very special odour, a bit wry and bitter.’ Het lijkt bijna of ook de schrijfbloc zo ruikt, naar graan en zomer en Schelde en Hans Warren.

MARIO MOLEGRAAF

Uit de nalatenschap van Hans Warren 145 ~ Van Schagen

Precies honderd jaar geleden verscheen Narrenwijsheid van J.C. van Schagen (1891-1985), de andere Zeeuwse dichter. Het is een van de bijzonderste werken uit de moderne Nederlandse poëzie, indertijd alom aangemerkt als een mijlpaal. Maar van een feeststemming rond het eeuwfeest bespeur ik weinig, vermoedelijk omdat het na 1925 met Van Schagen alleen maar bergafwaarts ging. Hij, opgeleid als jurist en een door de wol geverfd ambtenaar, wist heel slim, altijd zijn weinig verheffende gedrag in de bezettingsjaren verborgen te houden. De Eereraad voor de Letterkunde veroordeelde hem wel, maar dan zonder publicatie van het vonnis. Zo kon hij in 1961 de Zeeuwse Prijs voor Kunsten en Wetenschappen binnenhalen. Maar uitgevers zagen doorgaans geen heil meer in zijn werk en hij moest zijn dreutels en dingetjes in eigen beheer gaan publiceren. Een enkele keer tot vreugde van Hans Warren die op 10 april 1965 een enthousiaste Letterkundige Kroniek wijdde aan nummer 5 van de ‘Domburgse Cahiers’, een boekje waarin Van Schagen vertelt over zijn Walcherse voorgeslacht. Hans Warren kreeg meteen opgetogen post uit Domburg vanwege deze ‘hartverwarmende bespreking’. Van Schagen stuurde ook een aardige brief toen bekend werd dat tien jaar na hem Hans Warren met de Zeeuwse Prijs zou worden onderscheiden. Zo is er, al vanaf 1954, meer correspondentie. Maar vrienden werden de twee Zeeuwse auteurs nooit. Wel nam Hans Warren tegen wil en dank zitting in een ‘Comité Van Schagen’, opgericht om de publicatie mogelijk te maken van drie boeken onder de noemer ‘Archief Van Schagen’. De titel van deel één, verschenen in 1986, zegt eigenlijk alles over Van Schagen. In Narrenwijsheid liep hij er al een beetje op vooruit met regels als ‘Daarom geef ik geen namen/ Ik ga maar en ben’. Nu staat er, niet meer bescheiden, maar pijnlijk parmantig, op het titelblad: Ik doe niet meer mee.

MARIO MOLEGRAAF