In 1985 staat er nóg een dagboekschrijver op: Willem Oltmans. Hans Warren vindt het boek, het eerste uit een lange reeks, een bespreking waard. ‘Ik zal me gematigd opstellen. Ondanks alles heb ik een zekere sympathie voor deze geestverwant,’ noteert hij op 14 juli 1985 in Geheim dagboek. Op 23 juli 1985, drie dagen nadat de recensie in de krant stond, stuurt Willem Oltmans een opgetogen brief aan Hans Warren: ‘was er zéér blij mee’. Aan het eind van de twee kantjes laat hij weten: ‘Ben tot 10 Aug bij Bouterse’. Een opmerking die veel zegt over Oltmans, precies honderd jaar geleden geboren. Hij ging om met allerlei twijfelachtige figuren uit de wereldpolitiek, en was daarop nog trots ook. Gehoor vond hij nauwelijks voor zijn verhalen, maar hij bleef zichzelf hardnekkig als een top-journalist aanmerken die gefnuikt werd door de boosaardige Nederlandse overheid. Na een lange rechtszaak haalde hij nog zijn gelijk ook. In 2000, vier jaar voor zijn dood, kreeg hij een schadevergoeding van acht miljoen gulden. Oltmans werd nog officiëler toen hij zijn archief, honderd meter lang, naliet aan de Koninklijke Bibliotheek. Na een Amsterdamse ontmoeting in 1987, een dubbelinterview, noteerde Hans Warren over Oltmans: ‘Hij is gek, dom en arrogant, hij schreeuwt verschrikkelijk, maar ik heb geen hekel aan hem gekregen’. Er is ook een verslag van de andere kant, Oltmans schrijft op 31 mei 1987 dat het gesprek ‘in een redelijke sfeer’ verliep ‘tot het moment dat Hans zei dat hij zijn jonge vriendje Mario even ging halen. Daarna veranderde de sfeer. Warren wilde macho overkomen bij zijn vriendje’. Hans Warren bleef recensies over Oltmans schrijven, hij bleef geïntrigeerd maar raakte ook steeds meer geïrriteerd. Tot woede van Oltmans, uiteraard uitgesproken in epistels op papier van verre hotels en voorzien van exotische postzegels.
MARIO MOLEGRAAF




